Emancipatie of boerenbedrog

Door

mr.dr. W.R.W.Donner

Bij wet van augustus 1862 werd bepaald dat de slavernij in Suriname op l juli 1863 zou worden opgeheven. Big deal, zeggen anti kolonialisten en ijveraars voor een anti Nederlandse houding. De slavernij werd helemaal niet op die datum afgeschaft maar gewoon in een andere vorm voortgezet. De zogenaamde vrijgemaakten dienden immers nog tien jaren lang te pezen voor de onderdrukkers. Nu tegen een hongerloon dat weinig verschilde van de handouts aan voedsel en huisvesting die de slavenhouders verplicht waren geweest hen volgens gangbare verordeningen uit te keren. Waren de mensen die de emancipatie tot stand hadden weten te brengen werkelijk zo pervers en zulke bedriegers als men ons wil doen geloven?

Wie de geschriften doorneemt over de gang van zaken in het Nederlandse parlement tijdens de debatten voorafgaand aan de totstandkoming van de emancipatiewet, zal wel tot de realisatie zijn gekomen dat het heus niet om een eenvoudige bevalling ging. In het proefschrift van onze landgenoot dr.Eugene  Waaldijk,  dat in 1959 verdedigd werd  aan de Westfälische Wilhelms-Universiteit van Münstergetiteld: Die Rolle der niederländischen Publizistik bei der Meinungsbildung hinsichtlich der Aufhebung der Sklaverei in den westindischen Kolonien wordt een beeld geschetst van de meningen die hadden geheerst vanaf 1832 toen het eerste wetsontwerp tot afschaffing werd ingediend tot het eindresultaat in 1862. Globaal vielen vier groepen meningen te onderscheiden. Een groep van voorstanders die om principiële redenen tegen de slavernij waren. Dat waren dan de liberalen, de socialisten en de christenen. Buiten het parlement waren er veel abolitionistische organisaties die sinds jaar en dag zonder succes ageerden tegen de slavernij.   Tegenstanders waren uiteraard de plaatselijke zetbazen die bang waren voor hun baantjes en de eigenaren van de plantages die bevreesd  waren voor hun centjes. Het waren vooral economen die vraagtekens plaatsten bij de plannen van de regering om de slaven zomaar vrij te maken. Ze zagen geen heil in een toekomst van Suriname zonder dwangarbeid. Hun schip op strand was Haiti. Dat land, dat vroeger de rijkste kolonie was geweest, was na de afschaffing verworden tot het armste land van de regio. De voormalige slaven weigerden gewoonweg om te werken. De Haitiaanse autoriteiten hadden de slavernij in allerlei vormen en benamingen  moeten herstellen. Dat stond Suriname ook te wachten. Er werd op gewezen dat ons land over een groot reservoir aan potentiële arbeidskrachten beschikte, met name de weggelopen slaven, maar dat pogingen  om hen ertoe te bewegen om tegen loon te komen werken niet geslaagd waren.  Ze bleven liever in hun hangmatten liggen. Dus arbeiders zouden van elders moeten komen. Zonder arbeiders waren de plantages tot ondergang gedoemd. De productie van suiker ging in Indonesië met sprongen vooruit terwijl die van Suriname gestaag achteruit ging door de stagnerende aanvoer van slaven en de mentaliteit van de Surinaamse slaven die met de dag onhandelbaarder werden vanwege de afschaffing in 1838 van de slavernij in het naburige Guyana.  De Antilliaanse slaven zouden op dat gebied bruikbaarder zijn. (voetnoot: de Antillianen werden naderhand vrijgesteld van staatstoezicht).

Een groep tenslotte, maakte zich zorgen over  de maatschappelijke toekomst van ons land. Zowel in de Britse koloniën als in Haïti hadden de vrijgemaakten met roof en doodslag in hun levensonderhoud willen voorzien en moesten met nieuwe wetten in bedwang worden gehouden..

In onze emancipatiewet heeft men getracht tegemoet te komen aan alle bezwaren. Als richtlijn daartoe, werd de Code Rural gebruikt, die in 1823 in Haïti was uitgevaardigd en die talrijke bruikbare bepalingen bevatte over de aanpak van de voormalige slaven.  Onze emancipatiewet volgt de bepalingen van de Code Rural bijna op de voet.

 

De bepalingen

Om de eigenaren tevreden te stellen kregen zij een vergoeding van 300 gulden per slaaf. Vervolgens werden premies in het vooruitzicht gesteld voor de aanvoer van nieuwe arbeiders. Volgens artikel 3 van de wet kwamen de vrijgemaakten  tien jaar lang onder staatstoezicht. De strekking daarvan was zoals artikel  19 aangeeft de vrijgemaakten te beschermen en op te leiden tot het familie en maatschappelijk leven.

Dit zou worden bereikt  door

a.het weren van lediggang en zwerverij. Mensen die niet zouden werken zouden worden opgepakt en  worden gezet op gouvernementsplantages of in werkplaatsen om te werken aan zaken ten algemenen nutte.

b.verplichte arbeid. De voormalige slaven waren verplicht om

arbeidsovereenkomsten aan te gaan voor het verrichten van arbeid. Dat hoefde niet perse bij hun voormalige eigenaren. Elke arbeidsovereenkomst diende echter te worden goedgekeurd door de overheid. Het in dienst nemen van mensen zonder arbeidsovereenkomst werd strafbaar gesteld.

c. bevordering van school en godsdienstig onderwijs.

Werkgevers moesten zorgen voor  vrije geneeskundige behandeling van hun werknemers. Ook ouden van dagen moesten werken naar vermogen en bekwaamheid.Hulpbehoevenden zouden krachtens de wet door de overheid worden gesteund.

Misschien zullen de knapkoppen die zich tegenwoordig bezig houden met de herschrijving van onze historie wat meer licht kunnen werpen op deze zaak zodat wij precies weten hoe die vermaledijde Hollandse kolonialisten ons hebben uitgebuit. Misschien brengt ons dat wat meer euro’s op boven de honderden miljoenen die wij al van ze te vorderen hebben.