De Pauluscyclus een stuk van Frits Wols

november 14th, 2013

PAULUSCYCLUS (1)

De mooiste tijd van mijn leven was zeker de periode die ik heb doorgebracht op de Sint Paulusmuloschool, daar op de hoek van de Gravenstraat( nu: Henk Aronstraat) en de Mgr. Wulfinghstraat. Ik had het ‘geluk’ dat ik werd geselecteerd voor de B-richting. Dat betekent dat er geen Spaans en Boekhouden in mijn pakket waren maar Engels, Frans, Duits en vooral Wiskunde en Natuurkunde. De A-richting was meer bedoeld voor leerlingen die niet echt verder zouden studeren maar  bijvoorbeeld een kantoorbaan ambieerden. Tenminste , zo zagen wij van de B-richting het in die tijd.

Pal aan de overkant van onze school stond de Sint Louiseschool die in tegenstelling tot de Paulusschool alleen meisjes herbergde. Je begrijpt dat er een levendig kontakt bestond tussen de leerlingen van de twee scholen. Dit kontakt werd scherp in de gaten gehouden door de direkteur van onze school, een reus van een kerel, Frater Gubert genaamd. Hij had er een gewoonte van gemaakt elke morgen post te vatten in de poort van de school. Hij stond daar dan met zijn beide handen in de zij of bij wijze van afwisseling met gekruiste armen, de komst van zijn pupillen af te wachten. Zij die dan op de fiets kwamen, stapten  netjes af voor de poort, groetten beleefd en wee degene die het in zijn hoofd haalde om dan eenmaal binnen de muren van de school gekomen, weer op zijn rijtuig te springen om  de afstand naar het fietsenhok rijdend te overbruggen.

Hand op stuur was in die dagen een bekende uiting van verliefdheid. Er was een ongeschreven code die aangaf dat wanneer een Paulist kwam aanfietsen met aan zijn zij een fietsende leerling van de Sint Louiseschool, andere Paulisten de boodschap moesten begrijpen en nooit de sjilp-medeklinkers ‘Pssssst’ tussen hun tanden moesten laten ontsnappen met de bedoeling de aandacht van het ‘hand-op-stuur-object’ te trekken. De afspraak waar en hoelaat werd dan in de aanwezigheid van getuigen gemaakt en vastgelegd in de schoolagenda van een der getuigen en (meestal) na schooltijd, was het knokken geblazen. Een enkele keer volgde er na druk overleg tussen bevriende getuigen en de gevechtsklare jongens een vredesverdrag en kreeg de provocateur de kans om zijn ongelijk te bekennen en met een schouderklop werd zand over het voorval gestrooid.

Elke handeling die overigens maar enigszins het vermoeden kon doen ontstaan dat er ietsje meer dan een puur intellectuele relatie  bestond tussen scholieren van de aan elkaar gelieerde scholen, had als gevolg dat de gelaatstrekken van Frater Gubert zich verkrampten tot een angstaanjagende grijns voordat de verbale aanval plaatsvond, gevolgd door een disciplinaire straf die zelfs zijn climax kon bereiken in de vorm van een schorsing.

Welnu, dit noodlot- hoe kon het ook anders- viel uitgerekend mij te beurt op een zonnige maandagmorgen toen ik na een weekend Colakreek  niets vermoedend  kwam aanfietsen met mijn linkerhand op het stuur van ene S.V. die ik tijdens dat onstuimige weekend had ontmoet. Toen ik mij realiseerde dat wij de Kathedraal al hadden gepasseerd,, was het al te laat  want daar stond Brutus, zoals de direkteur genoemd werd, met zijn in krom-strek-vorm bewegende wijsvinger in mijn richting te gebaren  .

KLAS 4C

Onder de ongeveer vijentwintig leerlingen van klas 4c hoorden Rudie, Wim en ik. In die tijd was er niet veel te beleven. Ik was weliswaar in de padvinderij maar wij kwamen slechts eens per week bij mekaar en voor de rest was het òf studeren òf naar de bioscoop of zomaar fietsen naar plekjes die wij fijn vonden.

Welnu, als leerlingen van de Sint Paulusschool hadden wij een zekere reputatie. De Paulusschool blonk nu eenmaal uit door zijn discipline en groot aantal geslaagden elk jaar opnieuw. klas 4c, was een examenklas. Wij werden er langzaam op gewezen dat er een Brutusclub bestond waar wij na het behalen van ons diploma ‘sweekends naar toe konden.De meisjes van de Sint Louiseschool die zo streng van ons afgehouden werden, zouden dan ook toegelaten worden tot de Brutusclub of althans, ze zouden door Paulistengeintroduceerd mogen worden tot de feestjes die regelmatig georganiseerd werden. Tegen de tijd dat wij de school zouden verlaten, was het een drukte van jewelste op het schoolerf. Er hing een bord tegen de muur waarop de resultaten van de schriftelijke examens genoteerd stonden. Wanneer je nummer op het bord stond, betekende dit dat je geen mondeling hoefde te doen. Vrijstelling dus, zoals dat heette. Het was dan een ware vreugde wanneer je steeds weer je nummer zag verschijnen .

Op de laatste schooldag van klas 4c verlootte Brutus een prachtig Christusbeeld. Ik verlangde er zo naar dit beeld te winnen en op deze dag kwam ik erachter dat ik toch wel over bepaalde paranormale krachten beschikte.Frater schreef op de achterzijde van het bord een nummer, maakte een stel loten, vouwde ze netjes en ging rond in de klas. Ik zag in een flits mijn leeftijd, dat was 17, dacht bij mezelf: het zou goed zijn indien ik 17 pakte en nog beter als die 17 het winnend nummer werd. Het ongelooflijke gebeurde: toen de frater bij mij stond, pakte ik een lot, vouwde het briefje open en zag dat ik 17 getrokken had. Nu volgde het grote moment: Brutus liep naar het bord, keerde het om en daar prijkte het cijfer 17 op het bord. Ik kon het niet geloven, het beeld was van mij.

Toen de uitslag van het examen bekend gemaakt werd,deed het mij goed te horen dat ik als eerste van de St.Paulusschool geslaagd was met als laagste cijfer een 7 voor natuurkunde.

PAULUSCYCLUS (2)

In het eerste deel van de verhalen die over de St. Paulusschool gingen, heb ik Frater Guibert enigszins belicht. Het lijkt mij goed het nu te hebben over enkele andere specifieke docenten die toen aan deze school verbonden waren..

Wie het in de vijftiger jaren over ‘Tigri’ had, bedoelde gegarandeerd  meneer Lobo, onze Biologieleraar maar  bij tijd en wijle waren er nog meerdere leraren aan wie de twijfelachtige eer te beurt viel de verwijzing ‘Tigri’ van de leerlingen te krijgen. Laten wij het nu echter hebben over meester Lobo. Lobo was vrij kort, zo een James Cagney type. Een Jood met een eeuwige grijns op zijn gelaat en boven de zware wenkbrauwen het gefronste voorhoofd..De familie Lobo was in de jaren na de Tweede Wereldoorlog overigens zeer bekend als muziekminnende maar ook muzikale familie. Hun ouderlijk huis was pal tegenover onze woning aan de Waaldijkstraat (vroeger bekend als de Grote Dwarsstraat) en zo kon ik dagelijks de zingende dames meemaken en Mario met zijn gitzwart golvend haar a la Elvis Presley, was altijd gekleed in Bamborita’s – dat zijn zeer opschikkelijke overhemden die je maar liefst over je broek liet hangen – . Zijn hobby was spelen op de Bongo, een slaginstrument dat in die dagen zeer populair was en door de Portoricanen die naar men zei, tijdens de Tweede Wereldoorlog op Jacobusrust gevestigd waren, werd bespeeld.

Maar kom, we zouden het over Tigri hebben en die was een type apart. Hij vond het niet nodig de traditie van Katholieke leraar te stipt tevolgen en zijn woordkeus daardoor te laten beinvloeden. Om die reden had hij geen enkele moeite met het tappen van schuine moppen. Maar jij als leerling moest het niet flikken zijn gedrag na te bootsen.

Hij had het eens over kunstmatige insiminatie. Ik moet zeggen dat zijn beschrijving zo plastisch was dat wij met open mond naar de man luisterden. Op een bepaald moment nam hij een houding aan waarbij hij in feite maar op één been stond. De paardrift van de stier werd gedetailleerd beschreven. Er vielen woorden als ‘roede’( een term die ik mij in mijn onschuld nog slechts kon herinneren uit mijn Sinterklaastijd.), ‘doorboren’, ‘ snel opvangen’, ga zo maar door.

In de klas was een leerling die het op een bepaald moment niet langer kon volhouden en het uitproestte. Tigri die het al een poos had klaargespeeld om op één been te staan en het ander been op een stoel te laten rusten, hield abrupt op met praten. Zijn vooruitgestrekte arm met de wijsvinger die als een scherpe dolk ter ondersteuning diende van zijn verhaal, bleef in diezelfde positie staan toen hij ( dat wil zeggen : alleen zijn hoofd) zich langzaam  keerde en zijn arendsogen , op dat moment tot twee smalle strepen gereduceerd,  het object zochten dat hem in zijn rethoriek zo wreed had gestoord.

Toen hij gevonden had wat hij zocht, bleven zijn ogen gericht op een overigens bescheiden jongen van Hindoestaanse afkomst, een zekere Ram. Ram begreep dat zijn identiteit in deze affaire nu onomstotelijk was komen vast testaan en zijn lot dus bezegeld was.. Hij liet zijn hoofd hangen maar dat teken van berouw mocht niet baten: Tigri schuimbekte en de grijns op zijn gelaat veranderde in zulke diepe groeven, dat wij allemaal vreesden dat meester Lobo een beroerte zou krijgen. Met zijn blik doorboorde hij de ogen van de zielige Ram en de woorden kwamen als meteoren aanvliegen toen hij zijn mond wijd opensperde en zijn bulderende stem de jongen toesnauwde: ’Yu wani stoor mi les, yu wani stoor mi les? Okay, wakti mek’ examen kon. Yu o kk…!!!’

Nou, het examen werd gehouden en Ram kneep hem echt maar Meester Lobo, de Tigri had een klein hart. Ram kreeg een acht voor Biologie.

Meester Volkerts had in zoverre iets gemeen met meester Lobo, dat hij de dingen even raak kon zeggen als Lobo.Alleen zorgde hij ervoor zijn woorden anders te kiezen. Hij was zoals de meeste andere leerkrachten altijd in een kraakschoon spierwit kostuum gekleed. In die tijd werden kleren, althans witte overhemden en kostuums in een oplossing van gom gedompeld waarin ook nog wat blauwsel was verwerkt. Dit scheen een extra effect te geven aan het wit. Het wasgoed werd dan in de zon gebleekt en voordat het gestreken werd, besprenkeld en stevig opgerold, in een mand gelegd. Wanneer het gestreken werd, kreeg het goed een stevig aanzien en vooral de boorden werden zo stijf als een beschuit.

Volkerts mocht mij.Hij gaf wiskunde met alles eromheen zoals logarithme, algebra, goniometrie, meetkunde, stereometrie, noem maar op. Voor mij was wiskunde gewoon een hobby. Ik heb twee broers die mij bijzonder stimuleerden en ik merkte dat ik ontzettend goed was in vooral meetkunde en stereometrie.. Ik was gek op de paramide in al zijn gereduceerde vormen en had echt diepte- inzicht. Zodra de klas vastzat, mocht ik naar het bord lopen en de oplossing brengen. Zijn standaardzin luidde dan als volgt in het Sranan Tongo:

“Masra Wong-Loi-Sing, go sor’ den a oplossing yere want den e sdon luku sma leki te fisi las’ watra.”

Mijn reputatie als ‘wiskundeknobbel’ legde mij geen windeieren want de Chinese

jongens die elke dag met de duurste bollen en broodjes stoeiden, verwenden mij aardig wanneer ik de moeite wilde nemen ze sommetjes uit te leggen. Immers, mijn standaard lunch pakket was broodje bakkeljauw of brood met pindakaas, als het effe kon, broodje ei.. Tja, mijn ouders hadden het echt niet zo gemakkelijk. Soms stond ik met lede ogen toe te kijken hoe een half-opgegeten broodje sardine in de prullenbak werd gekieperd of van een Berliner bol  slechts de gelei-inhoud werd opgezogen en het omhulsel van deeg dezelfde weg volgde van het halve broodje sardine.

 Maar om terug te komen op meneer Volkerts: op een gezellige middag stond ik op de hoek van de Gongrijpstraat en de toenmalige Gravenstraat op mijn fiets, geleund tegen de muur van de Chinese winkel naar een optocht van de NPS /VHP- kombinatie te kijken. Het was verkiezingstijd en alles wat donker was “hoorde” bij de NPS. Van de lichtergekleurden werd verwacht dat zij zich bij de partij van Findlay, de SDP, aansloten en kennelijk hoorde Volkerts ook tot die categorie. Zoals gebruikelijk werd er flink met de heupen geschud en gedraaid, daar op de hoge vrachtwagens. Ik stond te wachten totdat de stoet voorbij getrokken was om dan naar de vierderangscursus te fietsen die in de Weidestraat verzorgd werd. Dat zou mij een hulponderwijzersakte opleveren die ik reeds tijdens mijn derde-mulo-periode zou kunnen bemachtigen.

De volgende morgen keek Meester Volkerts extra streng naar mij en nadat hij zijn keel geschraapt had, begon hij in het Sranan:om daarna in het Nederlands te vervolgen: “Masra Wong-Loi-Sing, jo kleine smeerlap, waar stond je gistermiddag op de hoek van de Gongrijpstraat en de Gravenstraat naar te gapen? Had je niks anders te doen dan naar die halfnaakte schaamteloze viezerikken met hun liederlijke vertoning te kijken?  Eh? Hebben wij je op de Paulusschool zulke manieren bijgebracht?”

Ik was sprakeloos want ik wist niet waar de man het over had, Ik had gewoon op het einde van de stoet willen wachten om over te steken. Maar goed, Meneer Volkerts moest nu eenmaal zijn gal kwijt.

Meester Duvant was Tigri II. Die sprak niet veel en wanneer hij dan al sprak, was het alsof hij een monoloog hield. Zijn vak was geschiedenis en wanneer hij vertelde, liep hij ijsberend met zijn handen over zijn rug ineengestrengeld en het hoofd gebogen met grote stappen tegen een denkbeeldig individu te praten. Zelden zag hij de klas als een groep. Zijn aandachtige luisteraars waren enkelingen die echt geinteresseerd waren in het vak geschiedenis. Duvant had al gauw de twee meest aandachtige studenten ontdekt. Deze waren uitgerekend mijn persoon en Willem, of afgekort Wim. De voorkeur van Duvant voor mij vond zijn oorsprong in het feit dat ik het assimilatieproces dat geleid heeft tot het ontstaan van de zovele “half-Chinezen” goed kon verklaren en er notabene zelf de verpersoonlijking daarvan was.Vanaf de komst van de mannen zonder vrouw tot de lokkende voedselpakketjes bestemd voor de arme vrouwen en meisjes van Creoolse afkomst die daar iets voor terug moesten doen. Mijn type was een duidelijk voorbeeld van deze integratie, althans dat dacht meester Duvant want hij wist natuurlijk niet dat mijn grootouders keurig getrouwd waren geweest. In ieder geval kreeg hij tijdens het overhoren van de les zijn eigendunkelijke toevoeging aan de inhoud van het geschiedenisboekje te horen en dat beloonde hij bij het proefwerk met een hoog cijfer.

 Willem echter was zijn lievelingetje omdat hij in deze intelligente jongeman de drager van de traditie van de zwarte intellectueel zag. Hij probeerde Willem aan te moedigen geen ambtenaar te worden maar zakenman.Willem moest maar eens advokaat worden en later in de business gaan.Duvant zag het al helemaal zitten.Ik zag de teleurstelling in de ogen van meneer Duvant toen hij merkte dat Willem meer interesse toonde voor literatuur en talen dan voor het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden.

Een heel andere type- om even terug te komen op de fraters- was frater Anton, de man die ons Nederlandse Taal en Letterkunde gaf. De enige houding waarin ik mij hem kan herinneren, is de spreidstand of de overdreven lange strakke passen die hij maakte als een aanhanger van Hitler, terwijl hij de klas uitdagend van opzij aankeek onder een hoek van dertig graden. Hij moest een weerbarstige haarlok steeds tot orde roepen door zijn vingers tussen de haren te laten glijden en met een zijwaartse ruk en een daarbij horende ferme hoofdknik, de lastige haardos onder controle te krijgen. Zijn onderlip had de neiging steeds in een onbestemde labiele positie te hangen, kennelijk in de ban van de zwaartekracht als gevolg van het overdadig materiaal waaruit de lip bestond. Hij is het echter die mij liefde heeft bijgebracht voor de Tachtigers en dus so wie so voor literatuur: “Het zeegeruis zal ik nog dan gedenken als diep in zee mijn hoorloos oor vergaat…”Sjonge sjonge, wat heb ik toch van dat gdicht genoten. Frater Anton zag in mij al direct een toekomstige schrijver.Mijn opstellen werden vaak in alle hogere klassen voorgelezen. Alleen mocht ik na mijn debuut in het katholieke weekblad Omhoog geen gedichten opsturen toen de toenmalige hoofdredakteur Pater Banneke in één van mijn gedichten de twijfel aan de Allerhoogste meende te hebben ontdekt. Dat vond ik erg jammer en met mij Frater Anton die pas later begreep waarom ik niet verder in Omhoog schreef.

Ze hebben allemaal hun stempel op ons gedrukt: Djogo basi, die altijd last had van jeuk aan het benedengrensgebied van de rug, Tjokro, die moeite had het bovengedeelte van het schoolbord te bereiken, laatstaan te beschrijven,  Mope,die vanwege zijn kleine mondje gelijkenis vertoonde met de gelijknamige vrucht met een even vaalbleke kleur, meester Robles, de Duitsleraar die altijd Bakboord moest hebben omdat deze scholier het niet kon laten bij het praten de indruk te wekken alsof hij op iets zat te kauwen.en daar kon meester Robles zich echt aan ergeren want toen de scholier de beurt kreeg om een tekst in het Duits te lezen, snauwde Robles hem geheel onverwachts toe: “Meneer bakboord, zit asjeblieft toch niet zo aan de woorden te kauwen alsof je bezig bent met een pomtajermaaltijd!.

Het zou ons te ver voeren ze allemaal te beschrjven met hun positieve en negatieve kanten. Feit is dat zij allemaal hebben meegewerkt aan onze vorming. Daar zjn wij ze dankbaar voor. Hun gedrag ontging ons geen van allen: elke “move” werd door ons gadegeslagen. Of er nou een condoompie ontdekt werd in het zadeltasje van meester X of dat er een kreukje zat in de kraag van meester Y, het zou zeker niet aan onze aandacht ontsnappen, daarvoor waren wij te zeer aan hen gehecht. Maar wanneer wij namen moeten noemen van docenten voor wie wij verschrikkelijk veel respect hadden om hun vakkennis of hun gave om de leerstof aan ons over te dragen, dan staan wij klaar om te getuigen voor deze integere mannen die niets aan het lot over lieten om ons te maken tot degelijke mannen in de maatschappij, de meesten met een indrukwekkende carrière.

Wordt vrvolgd

Frits Wols